Lord Byron’s sterfdag: nieuwe nationale feestdag

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-824 november 2008,

Recentelijk heeft het Griekse parlement besloten de sterfdag van Lord Byron, 19 april, uit te roepen tot nationale feestdag.
Byron had in 1809 – tijdens de Grand Tour die hij met zijn vriend John Cam Hobhouse maakte – zijn hart verloren aan Griekenland, dat toen nog deel uitmaakte van het Ottomaanse rijk. Als Philhellenen hem meer dan 10 jaar later benaderen om zich namens het London Greek Committee in te zetten voor de Griekse onafhankelijkheid, twijfelt hij dan ook niet lang. Op 4 januari 1824 zet hij voet aan wal in Missolonghi. Hij ziet voor zichzelf een actieve rol weggelegd, maar de commissie wil vooral gebruik maken van de publieke waarde van zijn naam. Zijn inzet voor de Griekse onafhanklijkheid trekt internationale aandacht en het legioen aan buitenlandse philhellenen breidt zich uit. Lang zal Byron’s bijdrage helaas niet duren; in februari wordt hij ziek en op 19 april 1824 blaast hij zijn laatste adem uit.
Ondanks de geringe bijdrage aan het einde van de Ottomaanse heerschappij, is Byron uitgegroeid tot een symbool in Griekenland. Verspreid over het land vinden we Byron-straten, pleinen en monumenten. In Missolonghi is een Byron-studiecentrum, waar ieder jaar een grote conferentie plaatsvindt. In vele musea vinden we parafernalia van de philhelleen. Een groot aantal Grieken heeft zelfs de voornaam Byron gekregen; een naam die overigens als ‘Viron’ wordt uitgesproken.
En nu is er dan een nieuwe nationale feestdag, op de dag van zijn overlijden in Messolonghi. Het moet een dag worden waarop de Griekse cultuur wordt geëerd. Byron’s centrale plaats daarbij heeft hij te danken aan zijn rotsvaste geloof in de democratische waarden en het Hellenisme, aldus de autoriteiten.
Ik vind het prachtig, lees al jaren van en over Byron, ben in Missolonghi op zoek gegaan naar zijn hart, fotografeer alle Griekse Byron-monumenten die ik op mijn pad tegenkom, maar vraag me ook af hoe een dergelijke beslissing wordt genomen? Is de persoon van Byron in dit verhaal het belangrijkste? Of zocht de Griekse overheid naar een manier om het nationale bewustzijn te versterken? Vond men een extra dag in het jaar – naast de onafhankelijkheidsdag op 25 maart en de Ochi-dag op 28 oktober – nodig om de Griekse identiteit een extra impuls te geven? Tenslotte werd Byron 150 geleden ook al ingezet bij de constructie van het Grieks nationaal verleden, ter versterking van de natie-staat.

Massale hongerstaking in Griekse gevangenissen

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-316 november 2008,

Gevangenen in Griekenland zijn sinds twee weken bezig met een hongerstaking. Ze protesteren tegen de deplorabele omstandigheden in de gevangenissen. Het gaat bij deze actie niet om een kleine groep. Volgens verschillende kranten zijn maar liefst 12.000 van de in totaal 14.000 gedetineerden in opstand gekomen. Ruim 5500 van hen zijn ook daadwerkelijk in hongerstaking gegaan. Gedetineerden van 21 van de in totaal 24 gevangenissen in het land nemen deel aan de actie.
Het begon met een oproep aan gevangenen om op 3 november te beginnen met een collectieve hongerstaking. Een relatief kleine groep begon, maar gaandeweg voegden zich steeds meer gevangenen bij de hongerstakers. Ze eisen onder meer betere detentie-omstandigheden, menselijkere bezoekomstandigheden, sancties tegen het geweld van cipiers, vrije toegang voor mensenrechten-organisaties. Ook roept men op dat de autoriteiten zich houden aan de strafwet. De actie wordt gesteund door verschillende nationale en internationale mensenrechten-organisaties en de politieke partij SYRIZA.
Het is niet de eerste keer dat Griekse gevangenen in opstand komen. In februari van dit jaar werd er ook al gestaakt door een grote groep in de gevangenis van Ioannina. En in het voorjaar van 2007 kwamen gedetineerden in een groot aantal Griekse gevangenissen ook al in opstand. We zagen toen beelden op televisie van gedetineerden die zich verzamelden op de daken van onder meer de Malandrino gevangenis in Fokida en de Korydallos gevangenis in Athene. Ook midden jaren ’90 protesteerde een groep van meer dan 1000 gevangenen tegen de slechte omstandigheden. Bij dergelijke opstanden is het geen uitzondering dat gedetineerden gewond raken, of erger nog, overlijden door het bijkomend geweld.
Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en rapporteurs van bijvoorbeeld de Raad van Europa wijzen al jaren op de belabberde toestanden in de Griekse gevangenissen. Er is sprake van structurele ruimtetekort; er zijn teveel gevangenen voor te weinig plaatsen. De bezoektijden zijn miniem, medische verzorging laat te wensen over en het gebruik van en de handel in drugs is zo goed als normaal.
Minister van Justitie Sotiris Hatzigakis heeft inmiddels beloofd met oplossingen te komen voor met name twee aspecten van de problematiek: de overvolle gevangenissen en de problematiek rond het drugsgebruik. De hongerstakers zijn nog niet onder de indruk van deze beloften. Gisteren meldde de Ekathimerini dat een groep van 10 in de Malandrino gevangenis nu ook was gestopt water tot zich te nemen.

Film “O gios tou filaka”

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-85 november 2008,

Vorige week schreef ik over het Griekse filmfestival dat in Filmhuis Lumen in Delft zou plaatsvinden. Ik schreef ook dat ik vanwege de thematiek en de plek waar de film zich afspeelt (het zuidelijk deel van het Pindos-gebergte), vooral uitkeek naar O gios tou filaka, de debuutfilm van Dimitris Koutsiabassakos.
Het verhaal van de film begint een tikkeltje ongeloofwaardig. We zien de televisiejournalist Markos in de stad Trikala een scene opnemen voor zijn candid camera programma. Hij legt voor de grap een tas met daarin een pistool op een bankje in de stad. Vervolgens filmt en registeert hij de reacties van voorbijgangers. Plotseling komt er een man – met een zwart lammetje dat achter hem aan huppelt – die het pistool meeneemt en verdwijnt. Dat levert een prachtige scene (en de foto op de filmposter) op van de bewuste man op een gele motor, met het zwarte lam in de zijspan.
Markos raakt in paniek (het pistool heeft hij stiekem van zijn vader ingepikt), maar hoort op de redactie van het televisiestation dat de bewuste man naar hem op zoek is, en inmiddels is teruggekeerd naar het dorp Pachtouri in het Pindos-gebergte. Dat blijkt ook het geboortedorp van Markos’ moeder te zijn. Markos reist de man na en vindt hem in het afgelegen besneeuwde bergdorpje. Zijn naam is Elias. Hij wil het pistool pas teruggeven als Markos hem helpt een probleem in het dorp op te lossen.
In feite is deze eigenaardige verhaallijn een kapstok waar de regisseur allerlei hedendaagse maatschappelijke thema’s aan ophangt. We zien de problematiek van de leegloop van de bergdorpen: in Pachtouri woont nog maar een handvol mensen. We zien de mannelijke inwoner van zo’n bergdorp die een jonge Albanese vrouw trouwt: hij, de filakas (degene die het dorp bewaakt en de sleutels beheert), heeft net als al die anderen het besluit genomen het dorp te verlaten en met haar een nieuw leven in Trikala te beginnen. We zien de jongere generatie die uit angst voor de grote stad in het dorp wil achterblijven, maar zich ook realiseert dat daar amper een toekomst ligt: in dit geval de zoon Elias, de gios tou filaka (zoon van de bewaker). We zien de andere, oudere, bewoners die zich in de steek gelaten voelen door degenen die vertrekken en bang zijn achter te blijven.
Dan is er nog de doofstomme broer die al decennialang brieven schrijft aan koning Constantijn, maar nooit antwoord krijgt. Deze broer zorgt voor een prachtig en tegelijkertijd triest einde van de film. Als de postbode hem uiteindelijk na al die jaren post brengt van koning Constantijn (in scene gezet door de journalist Markos), en hij verheugd het dorp in rent, realiseert hij zich plotseling bij de aanblik van dat lege dorp dat daar niemand meer woont aan wie hij het nieuws kan vertellen. Hij is de laatste inwoner.

Grieks filmfestival in Delft

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-825 oktober 2008,

Bij de woorden ‘Griekse film’ denkt vrijwel iedereen onmiddelijk aan Zorba de Griek, de film die regisseur Cacoyannis maakte op basis van het boek van Nikos Kazantzakis. Hoofdrolspeler Anthony Quinn danste op de muziek van Theodorakis en sindsdien kent iedereen ter wereld de sirtaki.
Iets minder bekend bij het grote publiek, maar toch ook wereldberoemd, is de regisseur Theodoros Angelopoulos. Zijn films zoals Landscape in the Mist, Ulysses’ Gaze, Eternity and a Day, zijn de afgelopen decennia vaak in de prijzen gevallen op internationale filmfestivals en hij heeft gewerkt met acteurs als Harvey Keitel en Bruno Ganz.
Maar er is vanzelfsprekend veel meer. Filmhuis Lumen in Delft heeft in samenwerking met de Griekse gemeenschap Den Haag en de Griekse ambassade een Grieks filmfestival georganiseerd. Het festival wordt aanstaande donderdag 30 oktober geopend door de Griekse ambassadeur Rallis en op zondag 2 november wordt de laatste film vertoond.
De openingsfilm is Nifes (Bruiden) van regisseur Pantelis Voulgaris en Martin Scorcese. In deze film reist een fotograaf in 1922 met een schip van Europa naar New York. Op de boot zijn ongeveer 700 bruiden aanwezig, die op weg zijn naar hun bruidegom in de Verenigde Staten.
Op vrijdag 31 oktober worden 4 korte films getoond, van maximaal 29 minuten. Een daarvan is de documentaire Of je gelooft of niet van Barbara Meter en Wim Oudshoorn. In deze documentaire staan de proskynitaria centraal. Dit zijn de ‘aandachtshuisjes’ die je overal langs de weg in Griekenland tegenkomt en die meestal de plek markeren waar iemand is overleden.
Op zaterdag wordt onder meer Ftina tsigara (Goedkope sigaretten) van regisseur en hoofdrolspeler Renos Haralambidis getoond, “een hommage aan het lummelen”, zoals de folder van Lumen vermeldt. Op de laatste dag onder meer een korte film over een Atheens gezin zonder mannen (Kali chronia, mama) en een film van Stergios Niziris Ine o theos mayiras?
Vanwege de thematiek en de plek waar de film zich afspeelt, kijk ik zelf vooral uit naar O gios tou filaka, de debuutfilm van Dimitris Koutsiabassakos. In deze film gaat de hoofdpersoon, journalist Markos, naar het afgelegen bergdorpje in de zuidelijke Pindos waar zijn moeder opgroeide. Daar raakt hij in conflict met een van de weinige achtergebleven inwoners. ‘fraai gefotografeerde debuutfilm over de voor- en nadelen van het traditionele dorpsleven dat ook in Griekenland zwaar onder druk staat’, zo belooft de folder.
 Voor meer informatie: www.filmhuislumen.nl

Patrick Leigh Fermor- Mani

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-519 oktober 2008,

Via de rubriek ‘ 50 years ago’ van de Kathimerini werd ik er vrijdag aan herinnerd dat het boek Mani. Travels in the Southern Peloponnessus van de Britse schrijver Patrick Leigh Fermor 50 jaar geleden werd gepubliceerd.
De Mani is de naam van het schiereiland ten zuiden van de stad Sparti, de centrale uitloper van de Peloponnessos en het meest zuidelijk gelegen gebied van continentaal Europa.
Het is een van de meest afgelegen en onherbergzame gebieden van het land, en dat is met name te wijten aan het woeste Taygetos-gebergte, dat de ruggengraat van de Mani vormt. Dit gebergte, met toppen tot 2400 meter, strekt zich uit over een lengte van 120 kilometer. De enorme muur van wit dolomiet maakt de streek erg ontoegankelijk. Afgezien van de landschappelijke schoonheid, maken de archeologische, historische en folkloristische elementen deze streek tot een fascinerend oord. Vanwege de ontoegankelijkheid was het in veel perioden een gunstig gebied om te wonen. Het bood eeuwenlang een toevluchtsoord voor bandieten, piraten en vrijheidsstrijders. Pas vanaf het midden van de twintigste eeuw liep de streek leeg, omdat mensen er niet in hun levensonderhoud konden voorzien.
PLF trok een halve eeuw geleden door dit bijzondere gebied en schreef zijn belevenissen in het boek Mani. Travels in the Southern Peloponnessus, dat in 1958 werd gepubliceerd. Een jaar later kreeg het boek de prestigieuze Britse Duff Cooper Memorial Prize.
PLF begon zijn reis in het bergdorp Anavryti, op de flanken van het Taygetos-gebergte. Daar kreeg hij te horen: “Mani! Waarom wilden we daarheen? Het was een verschrikkelijk volk: wilde, verraderlijke mensen, messentrekkers, – machairovgaltes! – en ze schoten op mensen vanachter de rotsen.” Hij en zijn vrouw Joan lieten zich niet afschrikken, trokken dwars over het gebergte naar het dorp Kampos en belandden uiteindelijk in de kustplaats Kardamyli. Vanuit dat dorp trokken ze vervolgens het hele schiereiland rond, om uiteindelijk in het havenstadje Gythio te eindigen.
In Kardamyli had PLF verzucht: “Het was een verleidelijke gedachte een van hen te worden, me voor maanden met boeken en schrijfpapier in dit kleine hotel te vestigen.” Die gedachte heeft hem blijkbaar nooit meer losgelaten, want een aantal jaren na publicatie van het boek, kocht hij net buiten Kardamyli in het gehucht Kalomitsi een stuk grond, en vestigde hij zich daar met Joan in het door hemzelf ontworpen huis.
 Tot op de dag van vandaag woont de inmiddels 93-jarige schrijver hier.
Ik bezocht het schiereiland zelf voor het eerst in 1997. Ik maakte een bergtocht vanaf het meest noordelijke puntje van het Taygetos-gebergte naar het uiterste zuiden, een tocht van meer dan 100 kilometer. Af en toe daalde ik af naar de zee of naar het dal aan de oostzijde, om eten en drinken in te slaan, zodat ik weer een aantal dagen hoog in de bergen kon blijven. Tijdens een van die fourageer-bezoekjes belandde ik via de Vikos-kloof in Kardamyli. Daar kocht ik in het kleine – en enige -boekhandeltje in de hoofdstraat van het dorp het boek Mani. Ik las het tijdens het vervolg van mijn trektocht en heb het sindsdien nog drie keer gelezen. Het hoort voor mij tot de beste boeken over Griekenland.
Wat het zo bijzonder maakt is de verweving van zijn persoonlijke belevenissen met een uiteenzetting van de plaatselijke gebruiken, de taal, de dialecten, de kleding, de architectuur, de iconografie en de geschiedenis. Weinig reisschrijvers zijn in hun beschrijvingen zo multidisciplinair als PLF. Hij is als geen ander thuis in de Griekse geschiedenis, is een groot liefhebber van uitstervende nomadische minderheden, schrijft met verve over het Griekse bijgeloof, verdiept zich in de myroloyia (rouwzangen) en geniet ondertussen van de gastvrijheid van de Grieken en het bijbehorende eten en drinken.
Zijn manier van reizen spreekt mij erg aan. Hij reist te voet, krijgt af en toe een lift en reist soms per bus. Dat doet hij bewust, want, zo zegt hij in een ander boek: “Te voet is het, anders dan met andere vormen van reizen het geval is, onmogelijk geen contact op te doen.” Dat contact is dan ook kenmerkend voor zijn reis, en voor zijn boek. PLF raakt voortdurend in gesprek met de plaatselijke bevolking, wordt uitgenodigd te komen eten en logeren, en vraagt ondertussen iedereen het hemd van het lijf. Het schrijven van het boek was voor hem dan ook een manier om de inwoners en hun gebruiken in dit afgelegen gebied te onderzoeken en vast te leggen, voor ze zijn verdwenen.
Het Nederlands taalgebied heeft lang moeten wachten op de vertaling van Mani. Pas in 2005 verscheen de Nederlandse vertaling van het boek bij uitgeverij Atlas onder de titel Mani. Reizen door het zuiden van de Peloponnesus.

Griekse saffraan: Krokus Kozani

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-412 oktober 2008,

Ieder najaar verandert het Griekse departement Kozani in een geweldige uitgestrekte paarse bloemenzee. Honderdduizenden krokussen vrolijken de velden rond de dorpen in de regio in de provincie Macedonië op. De crocus savitus wordt echter niet geteeld voor de bloemenpracht, maar voor de minuscule draadjes in de bloem. Uit de top van de stamper, het vrouwelijk deel van de bloem, wordt namelijk saffraan gewonnen.
Saffraan wordt al eeuwenlang in de keukens van het Midden-Oosten en het Middellands-Zeegebied gebruikt bij het kruiden en kleuren van gerechten. Het wordt verwerkt in rijst, gebruikt in kipgerechten, als ingredrient voor pasta’s en zelfs desserts worden verrijkt met saffraan. De onvoorstelbare sterke kleur- en smaakstof geeft een specifiek aroma en de bekende kleur aan deze gerechten.
De krokus-boeren in Kozani verbouwen al eeuwenlang krokussen. Sinds 1971 hebben ze zich verenigt in een coöperatie die is gevestigd in het dorpje Krokos. De coöperatie omvat zo’n 1500 boeren uit een veertigtal dorpen. Ze bewerken samen een gebied van ongeveer 1000 hectare. De oogst wordt inmiddels wereldwijd geëxporteerd.
Sinds een jaar of 10 is er zelfs sprake van een echte Europese streeknaamerkenning. In 1998 verleende de Europese Commissie namelijk een PDO (Protected Designation of Origin) aan hun produkt. Dit systeem hanteert de Europese Unie sinds 1992 om lokale culinaire produkten te promoten en te beschermen. Sinds de streeknaamerkenning schaart de Kozani-saffraan zich tussen de Franse champagne, de Italiaanse parmaham en de (sinds enkele jaren) Griekse feta.
Wie denkt dat de krokusboeren sindsdien rijk zijn geworden van de duurste specerij ter wereld, heeft het mis. De meesten kunnen niet leven van de oogst, maar hebben noodgedwongen nog een baan ernaast. De belangrijkste reden daarvoor is dat er voor een kilo saffraan ongeveer 150.000 krokussen nodig zijn. Bedenk daarnaast dat de oogst en het sorteer- en droogproces voor een groot deel handmatig plaatsvinden, en je kunt berekenen dat de meeste krokusboeren niet van de bloementeelt kunnen leven.

Stappen op de mijn die Europa heet

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-1329 september 2008,

Huis en haard verlaten. Vluchten voor het oorlogsgeweld in Georgië. Via een lange weg door Turkije de grens van Europa bereiken. En dan, na een paar meters in Europa te hebben afgelegd, op een landmijn stappen.
Dat overkwam afgelopen vrijdag 4 Georgiërs. Ze hadden via Turkije de Griekse grens bereikt en wilden op die manier Europa in. De provincie Evros, onderdeel van Thracië, in het uiterste noordoosten van Griekenland is dan een logische, want de meest dichtbijzijnde regio.
De mannen hebben weinig van Europa gezien. Het was nacht en ze hebben de rode linten en borden die de mijnenvelden aanduiden, waarschijnlijk niet gezien. Of ze hebben de waarschuwingen genegeerd, omdat ze de gok moesten nemen. Want wat zou jij doen, als je op de vlucht bent en op het allerlaatste moment een hek of een rood lint ziet? Er overheen.
De Georgiërs zijn niet de eersten die dit is overkomen. Griekenland krijgt als EU-lidstaat aan de buitengrens steeds meer te maken met illegale immigranten, schreef ik al eerder. De meesten gebruiken de uitgestrekte kustlijn van Griekenland om Europa binnen te komen. Bijna dagelijks verschijnen er berichten in de Griekse kranten over vluchtelingen die met een bootje aankomen op één van de eilanden en over dode lichamen die aanspoelen op Griekse stranden.
Anderen gebruiken de landroute. Dat gebeurt meestal via de provincie Thracië. Dat lijkt misschien een betere route, maar hier, aan de oevers van de grensrivier de Evros, liggen vele mijnen. Mijnen die de Grieken hier in het verleden hebben geplaatst vanwege de nabijheid van ‘aartsvijand’ Turkije. Deze mijnen eisen jaarlijks tientallen doden en gewonden. Soms zijn dat lokale inwoners, maar in de meeste gevallen gaat het om illegale immigranten. Volgens officiële cijfers van de International Campaign to Ban Landmines zijn er sinds midden jaren ’90 meer dan 80 immigranten overleden en een nog groter aantal gewond geraakt. Het regionale ziekenhuis van Alexandroupolis schijnt het er druk mee te hebben, met het oplappen van immigranten die benen en/of armen zijn verloren.
Griekenland heeft zich wel degelijk verbonden aan internationale verdragen als de Mine Ban Treaty, gericht op het opruimen (en niet opnieuw neerleggen!) van mijnen. Desondanks schijnen er volgens experts nog zo’n 25.000 mijnen in de grensstreek te liggen. Herhaaldelijk laat de overheid vol trots weten mijnen te hebben verwijderd. Dat zijn mijnen uit de periode van de Griekse burgeroorlog (1947-1949).  Ze liggen in de gebergtes in het noordwesten van Griekenland. Prachtig werk, dat zeker, maar in die gebieden heeft de illegale immigrant niks te zoeken.
NB: deze week verschijnt het nieuwe nummer van Lychnari met een artikel van mij over de Griekse immigrantenproblematiek.