“The ultimate taboo”, deel 3

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-33 februari 2009,

Mensenrechten-activist Dimitras heeft gesproken over het bestaan van een Macedonische minderheid binnen de Griekse grenzen en wordt om die reden binnenkort door justitie voorgeleid. Hij is niet de enige die te kennen wordt gegeven dat hij zijn mond moet houden over deze kwestie. Half oktober 2008 werden vier Macedonische journalisten, afkomstig uit buurland FYROM en op weg naar Griekenland, bij de grens vastgehouden en Griekenland uitgezet. Zij kregen niet de gelegenheid de dorpen rond de Griekse stad Florina te bezoeken en een reportage te maken over de Macedonische minderheid.
Hoe zit het nu met die minderheid? De informatie die ik vind, is divers van aard. Voor- en tegenstanders van het bestaan van de minderheid doen beide verwoede pogingen hun standpunt duidelijk te maken. Objectiviteit is ver te zoeken.
In de provincie Macedonië wonen klaarblijkelijk mensen die een Slavische taal of dialect spreken. Voor de meeste mensen geldt dat ze de Griekse nationaliteit hebben, het Grieks-orthodoxe geloof belijden, en Grieks spreken. Maar daarnaast spreken ze Slavisch, ze zijn dus tweetalig. Ze worden ook wel Dopii (dat in het Engels ‘locals’ betekent) of Slavo-Macedoniërs genoemd. Sommige geven aan zich Grieks te voelen, anderen ontkennen dat weer. Alhoewel de kennis van de taal en cultuur van de Slavo-Macedoniërs langzaam lijkt te verdwijnen, doet een deel van deze minderheid pogingen, de taal en cultuur in stand te houden. Vrijwel iedere poging daartoe wordt echter door de Griekse overheid de kop in gedrukt. Culturele verenigingen worden verboden en feestelijke activiteiten met Slavo-Macedonische dans en muziek worden afgelast.
Sinds 1995 heeft de minderheid ook een eigen politieke partij, Ουράνιο Τόξο (Regenboog). Deze partij bepleit de erkenning van de etnische minderheid, maar benadrukt dat van separatistisch streven geen sprake is. Dat wil zeggen: ze hebben niet de wens, zich bij de republiek FYROM aan te sluiten.
Iedere uiting van wetenschappers, journalisten of politici in de media over deze minderheid, leiden tot een stortvloed van reacties. Toen Alexis Heraclides, hoogleraar Internationale Betrekkingen aan de Panteion-universiteit van Athene, afgelopen zomer in een interview de overheid opriep de Macedonische minderheid te erkennen, waren de scheldpartijen op internet-fora over deze ‘Anti-Hellenic’ niet van de lucht.
In het artikel Politicizing Culture: Negating Ethnic Identity in Greek Macedonia, gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Modern Greek Studies beschrijft de antropologe Anastasia Karakasidou hoe ze begin jaren ’90 de regio rond Florina bezocht en met dorpelingen sprak. De ouderen onder hen vertelden haar hoe ze in de periode Metaxas (1936-1941) gedwongen werden te ‘helleniseren’. Ze werden verplicht om Grieks te spreken, en dit ging niet altijd zachtzinnig. Als ze toch betrapt werden op het spreken van het Slavisch, werden ze gedwongen publiekelijk motor-olie te drinken. Een middel om hun mond te zuiveren. Sommigen werden zelfs gemarteld. Slavische plaatsnamen en familienamen werden omgezet in Griekse, en de Slavische cultuuruitingen (dans, muziek, kleding, e.d.) werden verboden.
Officieel standpunt van de Griekse overheid, ook tegenwoordig dus nog, is dat deze Macedonische minderheid gewoonweg niet bestaat. In juli van afgelopen jaar ontkende premier Karamanlis nog publiekelijk het bestaan van de minderheid. Minister-president Nikola Gruevski van FYROM (Former Yugoslavia Republic of Macedonia) had Karamanlis een brief geschreven waarin hij Griekenland verzocht deze minderheid op Grieks grondgebied te erkennen. Een politieke pesterij, mede gezien de discussie over de naamgeving van FYROM. Karamanlis schreef in zijn antwoord aan Gruevski: “There is no ‘Macedonian’ minority in Greece. There never has been. In this respect, any allegations regarding the existence of such a minority are totally unfounded, politically motivated and disrespectful of the historic realities of the region.”
Een paar maanden later, in november 2008, leidde de discussie over de Macedonische minderheid wederom tot een slachtoffer: belangrijk media-adviseur uit de Pasok-geledingen, Grigoris Vallianatos, werd door partijleider Papandreou ontslagen omdat hij op de televisiezender Extra 3 onder meer had gezegd dat Griekenland de kwestie met de Macedonische minderheid moest oplossen door deze te erkennen.

“The ultimate taboo”, deel 2

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-328 januari 2009,

De zaak Dimitras die ik op 25 januari kort beschreef, heeft alles te maken met nationalisme en de verbeelding van het verleden in Griekenland.
Een korte blik in de historie: de onafhankelijke natie-staat Griekenland bestaat pas sinds 1832. In de eeuwen daarvoor hadden de Grieken onder meer deel uitgemaakt van het Byzantijnse rijk en het Ottomaanse rijk. Het nieuwe, onafhankelijke koninkrijk, dat zich begin 19e eeuw had ontworsteld aan de Ottomanen, had een sterke behoefte aan legitimatie. Er was nu weliswaar een staat opgericht, maar er was ook behoefte aan een gevoel van eenheid.
Naar voorbeeld van de West-Europese natie-staten werd er door politiek en intelligentsia gewerkt aan het creëeren van een nationaal gevoel. Men besloot om te beginnen de directe lijn van het klassieke Griekenland naar deze 19e eeuwse Griekse staat te benadrukken en cultiveren. Dat idee was in feite al tijdens de vrijheidsstrijd aangedragen door de Europese voorstanders van deze strijd. Het klassieke Griekenland werd in Europa namelijk beschouwd als de bakermat van de beschaving en democratie. Vanzelfsprekend waren de Griekstalige inwoners van het Ottomaanse rijk de directe afstammelingen van de Helleense geniexebn uit de oudheid. Dat deze cultuur zich nu had ontworsteld aan de islam, was een zegening, volgens deze Europese Philhellenen. In feite is op deze manier het verheerlijken van het antieke verleden één van de motoren geweest van de onafhankelijkheidsbeweging.
Een van de andere elementen die het nationaal gevoel in de loop van de 19e eeuw moest versterken en daarmee eenheid creëeren, was het orthodoxe geloof. Het geloof werd naar voren geschoven als ‘redder der natie’. In al die eeuwen waarin de Grieken waren overheersd door anderen, zou de continuïteit van de Griekse taal en cultuur door de Kerk zijn bewaakt en in stand gehouden, was het verhaal. Nu, na de totstandkoming van de nieuwe staat, konden alle orthodoxe Grieken worden verenigd. Je bent een echte Griek, als je Grieks-orthodox bent, was het devies. En dat blijkt nu, bijna 200 jaar later, nog steeds het leidend principe.
Is dat een probleem? Dat het klassieke Griekenland, de orthodoxe Kerk en de Griekse taal voor een groot deel de nationale discours vormen ter legitimering van de Griekse staat, zal niemand verbazen en is geen probleem. Wat wel problematisch is, is dat deze notie van ‘Grieksheid’ geen ruimte biedt aan bepaalde periodes in de geschiedenis en bepaalde bevolkingsgroepen. En dat de Griekse overheid nog steeds krampachtig vasthoudt aan deze bijna 200 jaar geleden gecreëerde nationale identiteit. De Griekse samenleving bestaat uit orthodoxe, Grieks sprekende Grieken. De meeste minderheden worden dan ook niet erkend.
Dimitras schreef mij hierover: “The Greek nation is perceived as homogeneous and hence there is no place for non-Greek ethnic identities, be they ethnonational (like Macedonians and Turks) or even ethnolinguistic like Roma, Arvanites, Aromanians, Pomaks). As well as that any Greek who is not Greek-speaker and Greek-Orthodox cannot be in fact a true Greek.”
In feite bepaalt bovengenoemde nationale canon dus nog steeds de huidige Griekse houding in talloze dossiers. En een van deze is de discussie over de Macedonische minderheid. Uitspraken doen over de Macedonische minderheid staat haaks op de officiële notie van ‘Grieksheid’. Hoog tijd voor een transformatie van het concept van ‘Grieksheid’.

“The ultimate taboo”, deel 1

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-325 januari 2009,

Medio 2007 zag ik een reportage van de BBC over een zigeunerkamp in de Atheense wijk Votanikos. De Roma die daar al zo’n 10 jaar woonden, hadden te horen gekregen dat ze moesten vertrekken. Het gemeentebestuur had besloten dat het nieuwe voetbalstadion van Panatinaikos daar zou moeten verrijzen. De Britse verslaggever sprak onder meer met Panayote Dimitras, jurist en woordvoerder van de mensenrechtenorganisatie Greek Helsinki Monitor. Dit is de Griekse tak van de International Helsinki Federation for Human Rights, een internationale non-gouvernementele organisatie die zich inzet voor de rechten van de mens. Vanaf dat moment bleef de naam van de mensenrechtenactivist mij bij en volgde ik zijn activiteiten af en toe via de website van de Greek Helsinki Monitor.
Afgelopen najaar stuitte ik ineens op een vrij heftig bericht over hem: Dimitras zou naar alle waarschijnlijkheid door de Griekse justitie worden aangeklaagd wegens hoogverraad. Wat was hier aan de hand?
 In september 2008 had Gay McDougall, werkzaam bij de VN als independent expert on minority issues, Griekenland bezocht. Haar bezoek had tot doel de situatie van de minderheden te bestuderen en daarover te rapporteren. Dat laatste zal gebeuren in maart van dit jaar. Tijdens haar bezoek sprak McDougall met verschillende Griekse politici, bezocht ze de moslim-minderheid in Thracië, verdiepte ze zich in de Roma-populatie en sprak ze met vertegenwoordigers van de Macedonische minderheid in de stad Florina in Noord-Griekenland. Ook de Greek Helsinki Monitor was in het programma opgenomen. McDougall had gesprekken met Dimitras en andere afgevaardigden van de organisatie over onder meer de Macedonische en Turkse minderheid, verschillende religieuze minderheden, de Roma, racisme en anti-semitisme.
Vlak daarna kreeg Dimitras het bericht dat de Griekse justitie gestart was met de voorbereiding van een aanklacht wegens het doen van uitspraken over de Macedonische minderheid. De aanklacht zou luiden: hoogverraad. Een misdrijf waar in Griekenland maximaal een levenslange gevangenisstraf op staat.
Hoe kan het zijn dat een woordvoerder van een non-gouvernementele organisatie die praat met een afgevaardigde van de VN over het bestaan van een bepaalde minderheid in een Europees land, van hoogverraad zou kunnen worden beschuldigd? Hoogverraad is toch landverrraad, een misdrijf tegen de veiligheid van de staat? Ik besloot het uit te zoeken en er een artikel over te schrijven.
Het vergde iets meer tijd dan ik dacht (dus dat artikel is er nog niet). Een ingewikkeld geheel van verschillende elementen openbaarde zich. Kwesties als internationale betrekkingen, nationale identiteit, verhouding kerk-staat, vrijheid van meningsuiting en Balkan-problematiek bleken in dit complexe dossier bijeen te komen. Ik deed ook een poging in contact te komen met Dimitras, en dat lukte. Aanvankelijk wat terughoudend – hij bleek vanwege zijn werk de afgelopen jaren vaak bedreigd en zelfs fysiek aangevallen – was hij uiteindelijk bereid tot een mail-correspondentie.
Volgende keer meer over dit dossier, “the ultimate taboo”, zoals Dimitras mij schreef.

Een Albanese geschiedenis

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-1321 januari 2009,

Een klein bericht in de Engelstalige Griekse krant Ekathimerini trok afgelopen vrijdag mijn aandacht: “Border guards rescue migrants lost in snow”. Het waren deze keer geen Pakistani, geen Afghanen, geen Somaliërs die Griekenland probeerden te bereiken. Het ging om een groep Albanezen. De mensen waren te voet vanuit Albanië de grens naar de Griekse provincie Epirus overgestoken met als doel de Griekse stad Kastoria. Zover zijn ze niet gekomen. Ze zijn gestrand, in de sneeuw, in het woeste Pindus-gebergte, bij een temperatuur van -10. Een van hen heeft met een mobiele telefoon hulp ingeroepen en uiteindelijk heeft de Griekse politie hen gevonden. In de groep bevond zich een zwangere vrouw en twee kinderen.
Het bericht riep herinneringen bij me op aan de zomer van 1995. Met mijn reisgenoot trok ik door diezelfde bergen. Dat waren totaal andere trektochten dan de wandelingen met routebeschrijvingen die ik in andere Europese landen had gemaakt. De Epiriotische bergen zijn hoog, onherbergzaam, woest. Kaarten van het gebied waren er destijds niet. Het enige dat we tot onze beschikking hadden, waren slechte kopiën op A-4 formaat uit het Griekse tijdschrift Korfes. De redactie van het tijdschrift had ze weer gekopieerd van het leger. De kaarten van de Epiriotische bergen waren ook nog eens sterk verouderd. De waterbronnen die waren aangegeven, stonden in veel gevallen droog. Oude paden waren overwoekerd of door aardbevingen en lawines verdwenen. We sliepen buiten, in een slaapzak, hadden geen tent, want onze rugzakken waren al zwaar genoeg, wogen zo’n 18 kilo. Eens in de 3/4 dagen bereikten we een dorp, waar we een hotelkamer namen, ons tegoed deden aan eten en drank, opnieuw proviand insloegen, waarna we weer verder trokken.
Het was fantastisch. Onderweg ontmoetten we af en toe een boer, een herder of een boswachter. Iedereen was even vriendelijk, maar waarschuwde ons voor de Albanezen. Die trokken sinds een paar jaar illegaal de grens over. Ontvluchtten in Albanië de armoede en gingen in Griekenland op zoek naar werk. Ze verplaatsten zich natuurlijk niet over de weg, maar namen dezelfde routes als wij. Op grote hoogte, want daar was geen politie te bekennen. Vaak ‘s nachts, want dat was nog veiliger. Ze waren niet alleen op zoek naar werk, vertelde men ons, maar maakten zich ook schuldig aan diefstal, moord en verkrachting. We besloten onze tochten door te zetten, zo’n vaart zou het niet lopen. Toch sliepen we allebei wel met een groot zakmes uitgeklapt in de slaapzak.
Op een dag waren we vanuit het dorp Mikro Papingo verder geklommen en hadden we ons voor de nacht geïnstalleerd bij het Darko Limni of Drakenmeer. Dit meer ligt op 2000 meter hoogte, omgeven door bergtoppen. Er was geen mens te bekennen. Totdat er vlak voor de schemering in de verte bij het meer een kleine kolonne mensen opdook. Langzaam kwamen ze dichterbij. Vanuit de verte zagen we dat het om een groep mannen ging, zonder bagage. geen bergklimmers dus. Toen ze dichterbij kwamen, herkenden we ze als Albanezen. Ik sprak ze aan in het Grieks, dat bleken zij ook te beheersen. Ze waren te voet uit Albanië vertrokken en waren op weg naar de landbouwgebieden in de Thessalische vlakte, een tocht van honderden kilometers. Ze hadden in één hand een stuk brood, in de andere hand een pakje sigaretten, en verder niets. Uiteindelijk hebben we de halve avond met hen doorgebracht, onze meegebrachte whiskey en hun sigaretten delend. Ze vertelden over de armoede, het werk dat ze deden in Griekenland. Telkens opnieuw werden ze opgepakt, of tijdens hun tocht, of tijdens het werk. De Griekse politie bracht ze dan met busladingen tegelijk terug naar de Albanese grens, waar ze vervolgens meteen weer rechtsomkeert maakten.
Ik dacht dat dit verhaal geschiedenis was. Een bizarre persoonlijke herinnering, waarvan ik de context later thuis in Nederland kon nalezen in de kranten. Duizenden, honderdduizenden Albanezen hebben in die periode zo’n zelfde tocht gemaakt. Maar ik had inmiddels begrepen dat werkzoekende Albanezen tegenwoordig gewoon met de bus naar Griekenland komen en daar een tijdelijke verblijfsvergunning kunnen krijgen. De werkelijkheid is blijkbaar anders.

Veel politiek nieuws

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-317 januari 2009,

De afgelopen weken was ik op reis. In die periode las ik geen kranten, keek ik amper televisie en maakte ik weinig gebruik van internet. Dat was de reden dat ik in de periode 17 december-17 januari geen berichten heb geschreven. Alhoewel, er verscheen één bericht, op 29 december. Ik zat in een internetcafé en typte het stukje over het boek dat ik bij me had en las: In Tearing Haste, een verzameling brieven die de schrijver Patrick Leigh Fermor en zijn vriendin Deborah Devonshire elkaar schreven.
Nu ik weer terug ben, blijkt er het een en ander te zijn gebeurd. Het is onrustig in Griekenland.
-minister-president Karamanlis heeft zijn kabinet vernieuwd. Begin januari presenteerde hij zijn nieuwe ploeg. Onder de 44 functies van staatssecretarissen en ministers hebben 25 wijzigingen plaatsgevonden. Let wel: het gaat niet om 25 nieuwe personen. Zes mensen zijn helemaal van het toneel verdwenen, een aantal is doodeenvoudig van stoel verwisseld. De reshuffle is een reactie op de onrust in het land van de afgelopen maanden, maar volgens oppositiepartij Pasok brengen de wijzigingen geen verandering in de ‘pijnlijke realiteit van het dagelijks leven’.
De rellen van de maand december zijn zeker niet geruisloos geëindigd. Begin januari raakte een agent zwaargewond bij een schietpartij. Inmiddels is de aanslag opgeëist door een extreem-linkse terroristische groepering. De groep, onder de naam Revolutionaire Strijd, heeft de afgelopen jaren meerdere aanslagen gepleegd op onder meer ministeries en de Amerikaanse ambassade. De groepering liet deze week via een manifest in het blad Pontiki weten dat de aanslag op de agent een reactie is op de dood van de 15-jarige scholier begin december.
Afgelopen week werd de Griekse reder Perikles Panagopoulos ontvoerd. Panagopoulos is de eigenaar van rederij Super Fast Ferries. Ook zijn chauffeur was ontvoerd, maar die is inmiddels vrijgelaten. De ontvoerders eisen 40 miljoen euro.
En dan zijn er nog een paar Griekenland-gerelateerde nieuwtjes in de persoonlijke sfeer.
-De Griekse ambassade heeft een reactie gegeven op het artikel The truth may be bitter, but it must be told over de immigrantenproblematiek dat ik voor het herfstnummer van het tijdschrift Lychnari schreef. De reactie is als ingezonden brief in het winternummer van Lychnari opgenomen. De ambassade doet in de brief een poging te laten zien dat de Griekse overheid wel degelijk een aantal zaken ten aanzien van deze problematiek oppakt.
Ik ben bezig met een artikel over de zaak Panayote Dimitras. Deze mensenrechtenactivist wordt waarschijnlijk beschuldigd van hoogverraad omdat hij uitspraken heeft gedaan over het bestaan van een Macedonische minderheid in Griekenland. De Griekse justitie is momenteel bezig met de voorbereiding van het proces. Ik heb inmiddels contact gehad met Dimitras en probeer een interview te regelen.
En het beste nieuws: ik ga dit jaar een boek schrijven over Griekenland. Ik ben benaderd door een uitgeverij en heb inmiddels een eerste gesprek gehad.
Binnenkort meer over al deze onderwerpen.

In tearing haste

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-529 december 2008,

Een autobiografie van Patrick Leigh Fermor gaat er niet meer komen. De schrijver is nu 93 jaar oud en hij werkt nog steeds aan het derde deel van de beschrijving van zijn wandeltocht van Hoek van Holland naar Istanbul. Een wandeltocht die hij zo’n 75 jaar geleden maakte, in zijn eentje. Deel 1, getiteld A Time of Gifts, verscheen in 1977 en het tweede deel, Between the Woods and the Water, werd in 1986 gepubliceerd. Sindsdien wachten zijn fans op deel 3. De boeken behoren tot de beste reisliteratuur en hebben PLF wereldberoemd gemaakt.
Gelukkig is er nu wel In tearing haste, een verzameling brieven die PLF en zijn vriendin Deborah Devonshire elkaar de afgelopen 50 jaar schreven. Zij ontmoetten elkaar voor het eerst in 1940. Hij had zijn sporen verdiend in de Britse inlichtingendienst, zij stond op te punt te trouwen met Andrew Cavendish, een huwelijk dat haar de titel hertogin van Devonshire deed toekomen. Ze raakten in de jaren ’50 echt bevriend en begonnen destijds ook met het schrijven van brieven. DD vanuit de verschillende kastelen die de familie in eigendom heeft, PLF vanuit verschillende adressen: zijn huis in Londen, plaatsen waar hij tijdens zijn reizen verbleef, of vanuit één van de vele huizen van vrienden verspreid over Europa. In totaal zijn er zo’n 600 brieven bewaard gebeven, en dit boek biedt een selectie uit die enorme hoeveelheid.
Vanaf midden jaren ’60 staat er boven de brieven van PLF ‘Mani’ en dat is precies de reden dat ik op zijn spoor kwam. Jaren geleden zwierf ik tijdens een vakantie gedurende een aantal weken door de bergen van de Mani, het woeste gebied in het zuiden van de Peloponnessos. In het dorpje Kardamyli rustte ik een paar dagen uit van een zware tocht naar de top van de Profitis Ilias. In het dorp kocht ik bij de plaatselijke boekhandel/sigarettenwinkel het boek Mani. Travels in the Southern Peloponnese. Het bleek een van de beste boeken die ik ooit over Griekenland heb gelezen en was geschreven voor dezelfde PLF. Het toeval wilde dat de schrijver daar ook nog bleek te wonen, net buiten het dorp in een baai met de naam Kalamitsi. De boekhandelaar wist me te vertellen dat O Michalis, zoals hij door de Grieken werd genoemd, er niet was, maar op dat moment in London verbleef.
In tearing haste bied mij een inkijkje in het leven van PLF. Zijn vele reizen, de bergtochten door Griekenland en de Pyreneën die hij maakte, de bouw van zijn huis in de Mani, de vele vrienden die hem daar bezochten. En er komt nog steeds informatie bij, want – zo staat in de laatste zin van het boek te lezen – “When this volume went to press, the two correspondents, aged eighty-eight and ninety-three, were still keeping a lively exchange of letters.”

Onrust niet voorbij

Share on LinkedInTweet about this on TwitterShare on FacebookPin on PinterestEmail this to someone

logo_comp-317 december 2008,

Vorige week maandag, 8 december, schreef ik over het straatgeweld in Griekenland. Twee dagen daarvoor was de 15-jarige Alexis Grigoropoulos in de Atheense wijk Exarchia dodelijk gewond geraakt. De kogels waren afgevuurd door een agent. Diezelfde avond nog braken er rellen uit in Athene, en de dagen daarna kon iedereen in Nederland beelden op televisie zien van protesterende mensen, molotov-cocktail gooiende jongeren en brandende auto’s.
Inmiddels is die eerste dramatische gebeurtenis bijna twee weken geleden. Het ergste geweld is voorbij, de aandacht van de Nederlandse media wordt weer verlegd. Toch is de rust in Griekenland niet wedergekeerd. Een groot deel van de Griekse bevolking worstelt nog steeds met een enorme onvrede. Ik schreef in mijn eerste bericht al dat de dood van de scholier alleen de druppel was die de emmer deed overlopen, de vonk die de cocktail tot ontploffing bracht. Die cocktail bestaat uit onvrede over onder meer de economische situatie, de werkloosheid, het belabberde niveau van scholen en vervolgopleidingen, de corruptie, het cliëntelisme, de schandalen, de tweedeling in de samenleving, de toestroom van immigranten. Deze onvrede is niet na 2 weken verdwenen. En dat blijkt.
Scholieren en studenten bezetten nog steeds ongeveer 600 onderwijsinstellingen, verspreid over het hele land. Voor morgen, donderdag 18 december, zijn er in Griekenland grote stakingen, werkonderbrekingen en acties door ambtenaren aangekondigd. Vandaag werd TV-station ERT bezet door betogers die de kijkers opriepen geen televisie meer te kijken, maar de straat op te gaan.
Vandaag gebeurde er ook iets anders spectaculairs. Er werd een groot aantal enorme spandoeken opgehangen op de oude muren van de Acropolis. Normaal gesproken is de Acropolis heilig. Alleen bij hoge uitzondering maken de Atheners gebruik van deze markante plek in de stad om hun boodschap te verkondigen. Tegelijkertijd zijn de Grieken zich maar al te goed bewust van het feit dat de Acropolis in het buitenland zo’n beetje hét symbool van Griekenland is. Iets doen met dat symbool, trekt gegarandeerd aandacht. De teksten op de spandoeken zijn dan ook niet zozeer gericht op de eigen bevolking, maar op de belangstellenden buiten de grenzen. Mensen in heel Europa worden opgeroepen op 18 december te demonstreren. “Resistance” en “Thursday, 18/12, demonstrations in all Europe” luiden de slogans.
En de politiek? Premier Karamanlis kwam tot nu toe niet veel verder dan tot kalmte manen en stoer te verklaren geen ordeverstoringen meer te dulden.
De negatieve beeldvorming heeft de premier er klaarblijkelijk toe gebracht nu toch iets meer te doen. Gisteren heeft hij in een rede in het parlement toegegeven dat hij de problemen in het land enigszins heeft onderschat. HIj beloofde hervormingen. Ook heeft hij min of meer zijn excuses aangeboden voor de schandalen waarin hij en zijn partij Nea Demokratia, zijn verwikkeld. Oppositieleider en socialistisch voorman Papandreou spint natuurlijk garen bij al deze gebeurtenissen. Hij laat bijna dagelijks weten dat Karamanlis zijn biezen moet pakken. Of dat moet betekenen dat hij en zijn Pasok-partij dan weer aan het roer kunnen staan, is nog maar de vraag. Wordt vervolgd.