Blik op Albanië

Bericht: Blik op Albanië. www.andergriekenland.nlOp een namiddag ben ik naar het klooster op de top van de hoogste berg van Corfu, de Pantocrator, gereden. Van hieruit zag je Albanië goed liggen, de zeestraat tussen het buurland en Corfu is hier zo’n anderhalve kilometer breed. Naast het klooster was een verrekijker geplaatst. Voor 50 eurocent kon je 1 minuut naar Albanië turen. Ik zag de kustplaats Sarande en een aantal kleinere dorpen. Er was geen enkele boom te bekennen, geen olijfgaard te bespeuren. De kust en de daarachter liggende bergen waren opvallend kaal.”Geschiedenis overzee! Albanië”, zo luidt de naam van één van de excursies die ik afgelopen week op Corfu via de Nederlandse reisorganisatie kon boeken. Vanuit Corfu-stad werd per boot de oversteek gemaakt naar Sarande in het zuiden van Albanië. Veel Grieken raden het af om Albanië te bezoeken. Albanië is een armetierig land, er is niets te zien en alle Albanezen zijn criminelen. Waarom zou je daar heen willen?

Het moet voor de Albanezen aan de overkant decennialang vreselijk zijn geweest om iedere dag naar Corfu te moeten kijken. Corfu is een groen eiland, er staan miljoenen olijfbomen, de toeristen komen hier al decennialang en laten veel geld achter. Albanië daarentegen was vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog tot eind jaren ’80 een gesloten land. De dictator Enver Hoxha isoleerde de bevolking volkomen. Het communistisch regime stond de inwoners geen muziek toe, geen religie, geen autobezit. Contact met buitenlanders was verboden. Lang haar werd afgeknipt. Politiek dissidenten werden monddood gemaakt en verdwenen achter de tralies.
Soms probeerde iemand te vluchten en waagde bijvoorbeeld met een bootje of zwemmend de oversteek naar Corfu. Dat liep nooit goed af. Als de waaghals het er al levend vanaf bracht, werd hij door de Albanese Sigurimi opgepakt of viste de Griekse kustwacht hem uit de zee. In beide gevallen wachtte de Albanese gevangenis.

Nadat Hoxha in 1985 aan zijn einde was gekomen, veranderde er niet veel. Zijn opvolger Sali Berisha volgde grotendeels de door Hoxha ingezette lijn. Pas in 1990 ging de deur van Albanië van het slot. Het land vormde de laatste dominosteen van het in heel Midden- en Oost-Europa instortende communisme. Honderdduizenden Albanezen vluchtten het land uit, met name richting Italië en Griekenland. Iedereen herinnert zich nog wel de hartverscheurende beelden van de overvolle boten met mensen die vanuit Albanië de oversteek naar Italië maakten.

De meningen over de komst van de Albanezen gastarbeiders in Griekenland zijn verdeeld. Barman Nikos, met wie ik vele gesprekken heb gevoerd, vertelt me dat hij de Albanezen nooit volledig vertrouwt. “Ik tolereer ze, ik praat met ze, maar ik blijf altijd op mijn hoede.” Dat wantrouwen heeft veel te maken met een afschuwelijke gebeurtenis van meer dan 10 jaar geleden. Nikos’ vader werkte jaren geleden al in de toeristenindustrie. Hij had een boot waarmee hij tochtjes maakte met buitenlandse toeristen. Sommige kwamen ieder jaar terug en met enkelen raakte hij zelfs bevriend. Zo ook met de zakenman Britse Keith Hedley en zijn vrouw. Hedley was in de nazomer van 1996 met zijn eigen zeiljacht naar Corfu gekomen. Nikos’ vader had hem gewaarschuwd voor de Albanese piraten die in dat seizoen een groot deel van de Middelllandse Zee, en met name de zeestraat tussen Albanië en Corfu, onveilig maakten. Hij gad Hedley de tip om zijn dure rubberboot met buitenboordmotor, die de Brit aan zijn jacht had bevestigd, ‘s nachts binnenboord te halen. Hedley vergat dat of vond het zelf niet nodig. Op een nacht werd hij gewekt door lawaai. Hij ging naar het dek waar hij 4 Albanezen zag die bezig waren de ketting, waar de rubberboot aan was bevestigd, door te zagen. Zodra Hedley zich vertoonde, schoten de Albanezen hun kalasjnikovs leeg. Hedley overleed ter plekke.
Ik vind het verhaal vandaag terug in mijn stapel kranenartikelen over Albanië. “Albanese piraten maken Middellandse Zee onveilig”, melddde de Volkskrant op 30 juli 1997. De dood van Hedley wordt ook genoemd.
Toch moet Nikos zijn wantrouwen voor een deel opzij zetten. Nu, bijna 20 jaar na de val van het communisme , wonen en werken vele Albanezen in Griekenland. Inmiddels zijn het er naar schatting 1 miljoen. Ook hier, op de Pelecas Country Club, werken een paar Albanezen. Eén van hen is de tuinman Giorgos. Hij heeft 10 jaar geleden aan de poort van dit landgoed geklopt, met niets meer dan de kleren die hij droeg. De familie Velianitis heeft hem opgevangen, kleren gegeven en een baantje verschaft. Nu maakt hij nog steeds het zwembad schoon en zorgt hij voor de tuin.
Ook de schoonmaakster, Luciana, is van Albanese afkomst. Iedere ochtend sprak ik even met haar. “Yassou, Luciana”, zei ik dan, maar zij bleef keurig de beleefdheidsfrase “Yassas” gebruiken. Luciana is twee koppen kleiner dan ik ben, mist een aantal tanden, maar blijkt pas 37. Ze woont met haar man al 10 jaar op Corfu. Inmiddels hebben ze samen 3 kinderen en beschikken ze over een tijdelijke verblijfsvergunning, met recht op een soort karige uitkering tijdens het winterseizoen.
Zou ook Luciana af en toe de Pantocrator beklimmen en voor 50 eurocent 1 minuut naar Albanië turen?

15 juli 2008