Het rustige binnenland van Paros

Geplaatst in: Mijn reizen | 0

Volgens de grote Griekse dichter Seferis is Páros het mooiste eiland van de Cycladen. Dat zei hij in de jaren ’60. Sindsdien zijn miljoenen mensen hier komen kijken. Alleen al daardoor is er wel één en ander veranderd. Het hoofdstadje Paríkia – hoe prachtig ook – bestaat grotendeels uit restaurants, café’s, winkels, hotels, pensions en appartementen. Het is nu september, en nog steeds redelijk druk. In juli en augustus moet het hier afgeladen vol zijn. “It’s a jam-packed island” schreef een journaliste van The New York Times een paar jaar geleden, “it’s packed, rock-concert packed.”

Wij gaan op zoek naar iets meer stilte en authenticiteit. In het binnenland van het eiland zijn nog een paar dorpen te vinden waar het relatief rustig is, zo vertelt de gids. De inwoners van die dorpen trokken in de tweede helft van de 20e eeuw weg en alleen de ouderen bleven over. De laatste jaren decennia zijn er weer meer mensen komen wonen, omdat er op het eiland geld werd verdiend in de toeristenindustrie en niet iedereen in Paríkia wil wonen, Toch is er in deze dorpen nog steeds weinig accommodatie voor toeristen te vinden. Dat heeft tot gevolg dat de toeristen díe er komen, de dorpen overdag bezoeken en aan het einde van de middag weer vertrekken.

Eerst gaan we naar Lefkes, een dorp aan de voet van de Profitis Ilias, met 770 meter de hoogste heuvel van het eiland. Lefkes was in de middeleeuwen de hoofdstad van het eiland. Dat is waarschijnlijk de reden dat de enorme Byzantijnse kerk, de Aghia Triada-kerk, ooit is gebouwd. Interessant om te horen is dat in het oude Xenia-hotel nu het zgn. House of Literature is gevestigd. Schrijvers en vertalers kunnen hier voor een gering bedrag een aantal weken of zelfs maanden verblijven. Geen slecht idee, als ik om mij heen kijk. Geen betere plek om te schrijven: een rustig dorp in de heuvels van een Mediterraan eiland. Daarnaast genoeg restaurants, café’s en winkels op zo’n 10 kilometer afstand.
Overigens was dit dorp halverwege de 19e eeuw nog helemaal niet zo’n plaatje, schrijft James Theodore Bent: “… Levkis is by no means a bright white place (levkos), as its name indicates; it is dirty and black in the extreme, the only white thing about it being a hideous new church…”

Ook Marpissa, een vijftal kilometer oostwaarts, is volgens de reisgids een authentiek bergdorp. Het is gebouwd op een grote heuvel. Tot 1926 heette dit dorp Tsimbidos. Daarna kreeg het – zoals zovele Griekse dorpen – op last van een nationalistische overheid, een nieuwe naam die refereerde aan de klassiek Griekse tijd. Marpissa is de naam van de dochter van de riviergod Evinos.
 Het prachtige dorpje bestaat uit smalle steegjes, witte kubistische huizen met blauw- of groengeschilderde deuren en kozijnen en een bestrating van marmer. Af en toe doemt er in een bocht een spierwit geverfd kerkje met een blauwe koepel op.


Op een van de pleintjes, bij Charoula’s taverne, zijn in blauw en groen uitgevoerde muurschilderingen van Griekse terras-tafereeltjes aangebracht, gemaakt door een plaatselijke kunstenaar. En daar niet ver vandaan, bij het Aghios Nikolaos-plein, blijkt zelfs een klein folklore-museum te zijn. Het piepkleine huisje is ingericht met de oorspronkelijke meubels en huisraad van de voormalige eigenaar, aangevuld met giften van andere inwoners van Marpissa.


Het dorp heeft sinds 2009 nog een tweede museum. Dat is gewijd aan het werk van de lokale beeldhouwer Nikos Perantinos. Een kunstenaar die in Parijs studeerde, in Athene voor het Archeologisch Museum werkte en aan het einde van zijn leven maar liefst 192 van zijn werken aan Marpissa doneerde.
 Aan het einde van de middag belandden we in het kleine vissersdorp Piso Livadi, aan de oostkant van het eiland. Ook hier weinig toeristen, een ontspannen sfeer, dobberende bootjes in de haven. We eten verse vis op een terras van Fysilanis, terwijl de vanochtend pas gevangen octopussen naast ons over een waslijn te drogen hangen.

16 december 2012